Uit een nog nauwelijks bestaan werkje over Hedendaagse Sier en Nijverheidskunst uit 1932

De Beteekenis van het Glas-in-lood in de nieuwe bouwkunst

Over den glazenier

Architectuur en utiliteitskunsttreden in een tijdperk waarin zij door mechaniseering en standaardisering alle persoonlijke, romantische emotie doen wijken voor een onpersoonlijk, algemeen menschelijk dienen van nuttighedi en confort. De persoon van een architect zal hoe langer hoe meer tot zijn bouwwerk staan als de ingenieur- constructeur staat tot den te maken motor. Hij bezigt en perfectioneert gemeen goed geworden vindingen, hij is de richter van de industrie.
Wat zich evenwel niet laat standaardiseren al seen gebruiksvoorwerk is: de uiting van geestelijken overvloed. Die blijft persoonlijk, noodzaak van den enkeling, van het sterke individ; bevestiging van geestelijke meerwaarde tegenover de massa. Hoe onpersoonlijker de industrie wordt, des te persoonlijker en meer gedifferentieerd wordt het kunstwerk, als onmiddelijke registratie van individueele ontroering en verwondering.
Zóó slechts kan ook een zuiver gerichte moderne glasschilderkunst bestaan, evenals muziek, dichtkunst, schilderkunst, beeldhouwkunst, als vrije, niet utiliele manifestatie. Haar materiaal en expressieve stijl-eigen wortelt welliswaar in het verlden, - maar in een verleden dat wat zin en doel betreft totaal van onzen tijd verschilt.
In de Middeleeuwen waren industrie en kunst niet te scheiden, beide handwerk. Toen kon met met recht spreken van kunstnijverheid; nu wordt kunstnijverheid een romantisch compromis uit historisch heimwee. Een ornamentaal werk met de bedoeling de architectuur voort te zetten, is voor onzen tijd en voor de werkelijke architectuur van dezen tijd een onwaarheid geworden. Evenals een schilderij aan den wand onderbreekt en door zijn contrast opluistert, eveneens is nu een glas-in-loodraam een onderbreking van de architectuur, - een overtolligheid gerechtvaardigd uit geestelijken overvloed. Bezorgdheid om ‘stijl-eenheid’ die zich consequente aanvaarding van het feit: dat een cultus als drager van een ordenende sacrale kunst volkomen ontbreekt, - en die alleen zou volgens de zoekers van den modernen stijl de ware eenheid scheppen. Een ergelijke prediking van irreël idealisme raakt slechts den buitenkant, blijft ‘kunstbeweging”.
Laat ons niet treuren om het ontbreken van dien eenheidschappenden cultus, maar een niet minder religieuze kunst geven uit een eenheidsprincipe dat ieder aanvaardt: het leven. Hoe grooter vrijheid van uitingen, naar den persoonlijken aard der kunstenaars, hoe rijker beeld van onzen tijd. Hoezeer wij de moderne architectuur bewonderen om haar rationeele en door doelstellingen uitgebalanceerde vormen, wij kunnen uit die vormen geen glas-in-lood-schilderkunst maken. Men heeft te kiezen tussen de nuttige en zeer perfecte spiegelruit of ruit van vita glas, - en het moedwillig beeldende raam, dat spontaan iets van het licht wil offeren aan een persoonlijke overvloeiing van geestelijke kracht. Hiervoor is noodig dat de glazenier zijn werk voortbrengt door een volkomen en eigenhandige beheersching van de materie; handwerk in den hoogsten zin. Geen conceptie in cartons die door anderen worden uitgevoerd; hiern niet minder dan in elke vrije kunst is in den kunstenaar een volledige intieme, tot persoonlijke levende verwantschap geworden kennis van de middelen noodzakelijk welke den geest leert hoe de stof te bedwingen.

Joep Nicolas
*Bron: De toegepaste kunsten in Nederland. Een reeks monografieën over hedendaagsche sier en nijverheidskunst. Glas in Lood door W.F. Gouwe. Rotterdam 1932 uit eigen collectie (karel den biggelaar)